Mark: "Onze vader die in Keulen zijt
" (december 2007 / januari 2008)
Aartsbischoppelijk kunstmuseum Kolumba in Keulen (Peter Zumthor)
Het Aartsbisschopelijk Kunstmuseum Kolumba in Keulen bewijst dat het hoog tijd wordt dat Peter Zumthor gaat werken voor een wereldlijke opdrachtgever.
Tekst David Keuning
Is Peter Zumthor sterarchitect tegen wil en dank, of is zijn ontoegankelijke kluizenaarsimago het resultaat van een zorgvuldig pr-beleid? Zijn beheerste, ascetische gebouwen hebben hem een cultstatus gegeven die op het eerste gezicht slecht lijkt te passen bij zijn bescheiden publieke optreden. Als zijn opdrachtgever dan ook nog de Rooms-katholieke kerk is, die een reputatie heeft hoog te houden op het gebied van gecontroleerde informatieverspreiding en de enscenering van publieke bijeenkomsten, dan weet je van te voren wat je kunt verwachten: verstilde architectuur met maximale heisa.
De voortekenen waren veelzeggend. Enkele maanden voor de oplevering van het aartsbisschoppelijk museum in Keulen begonnen fotografen de redactie al te bestoken met schimmige sneak previews van het gebouw, terloops gemaakt tijdens informele bezoeken. We mochten ze wel publiceren, maar dan alleen zonder naamsvermelding. Daar waren de foto’s toch iets vluchtig voor gemaakt. Dus benaderden we het aartsbisdom, die beleefd en pünktlich liet weten dat we fotografen mochten sturen zoveel als we wilden, maar dat ze geen toegang zouden krijgen tot het gebouw. We besloten te wachten met publicatie. En zo togen we op de grote dag van de persbezichtiging verwachtingsvol per ICE naar Keulen.
Bij aankomst, vlak voor het tijdstip op de uitnodiging (toegestuurd op naam, in de vorm van een witte, gevouwen kaart die als huwelijksaankondiging niet had misstaan) wachtten ruim honderd journalisten, fotografen en cameramensen voor de deur. Achter het glas bewogen zich nerveus een aantal particuliere beveiligingsagenten in zwarte pakken. Even leek het erop dat de paus in hoogsteigen persoon de bijeenkomst met zijn aanwezigheid zou vereren, maar dat bleek niet het geval. Stipt om tien uur gingen de deuren open. Bij wijze van persconferentie las vicaris-generaal Dominik Schwaderlapp een uitgebreide tekst voor. Hij verhaalde van de lange totstandkominggeschiedenis, die 35 jaar geleden begon en die Zumthor in 1997 met een gewonnen ontwerpprijsvraag naar zijn hand wist te zetten. De architect zelf (gekleed in zijn kenmerkende garderobe: donkergrijze werkmansbroek, oversized blauw jasje en een wit overhemd met staande boord – every inch the artisan) verwaardigde zich het toegestroomde journaille nog geen vijf minuten toe te spreken. Hij vertelde dat het concept voor het gebouw was afgeleid van de tentoongestelde kunst ‘en van de spirituele waarden die daarbij horen’. En hij bekritiseerde de marketingstrategie van andere musea, waarbij de architectuur de tentoongestelde kunst verdringt. ‘Mij fascineerden vooral de restanten van de oude kerk die in het ontwerp zijn opgenomen. Daardoor raken heden en verleden in een betekenisvolle betrekking.’ De meester had gesproken, en hij glimlachte innemend.
En dan het gebouw zelf. Zumthor, die met zijn eerder dit jaar opgeleverde Bruder Klaus kapel in Mechernich (Mark #8) en de Sint Benedictus kapel in Sumvitg (1989) al heeft getoond niet ongevoelig te zijn voor de verlokkingen van de Rooms-katholieke mystiek, heeft een museum gemaakt dat de spiritualiteit van de beide bedehuisjes verenigt met de fijngevoeligheid van een van zijn eerdere gebouwen, het Kunsthaus Bregenz (1997). Het museum in Keulen ontleent zijn naam aan de kerk die vroeger op die plek stond en die in 1943 (‘mijn geboortejaar’, benadrukte Zumthor) werd gebombardeerd. In de ruïne van de Kolumba kerk bouwde Gottfried Böhm, de held van de naoorlogse Duitse kerkarchitectuur, in 1950 een betonnen kapelletje. Later, in de jaren zeventig, kwamen bij archeologische opgravingen de negende- tot dertiende-eeuwse fundamenten van oudere kerkgebouwen aan de oppervlakte. Het bisdom besloot de Böhmkapel en de funderingsrestanten te integreren in een nieuw museumgebouw voor kerkelijke kunst. De collectie was tot dan toe gehuisvest in een ongebruikt gedeelte van het Roman-Germanic Museum aan de nabijgelegen Roncalliplatz, maar daar was onvoldoende plaats om de kunstwerken goed tentoon te stellen. Zumthor gebruikte in zijn ontwerp de nog overeind staande geveldelen van de ruïne van de Kolumba kerk als basis voor de nieuwe buitenmuren. Binnen zijn de oude fundamenten te bewonderen vanaf een loopbrug op de begane grond. Onregelmatige, kleine perforaties in de massieve buitenmuren zorgen voor frisse lucht en gedempt daglicht in deze ruimte – een voorwaarde voor de instandhouding van de opgravingen. Om de perforaties te kunnen realiseren, ontwikkelde Zumthor voor dit gebouw een nieuwe, tegelachtige baksteen (54 x 21.5 x 4 cm), waarvan hij verschillende varianten testte in een proefopstelling op de binnenplaats van het Ursulinengymnasium, net ten noorden van de oude binnenstad. Het resultaat is een indrukwekkend amalgaam, dat de chaos van de geschiedenis combineert met de etherische stijl die zo kenmerkend is voor Zumthors werk.
Het museumgedeelte bevindt zich voornamelijk op de eerste en tweede verdieping. Smalle, hoge trappenhuizen leiden naar de tentoonstellingszalen, waar oude en nieuwe kunst door elkaar hangt. Verdiepingshoge ramen, schijnbaar kozijnloos, brengen daglicht en uitzicht in een groot aantal vertrekken. Dat is in veel musea geen gemeengoed, maar werkt hier goed. Zumthor hanteert in het interieur met maximaal effect zijn bekende trukendoos. Nergens zijn voegen te bekennen. Vloeren, muren en plafonds zijn over het hele oppervlak naadloos en glad. De zware bouwmassa van de betonvloeren en de 60 cm dikke stenen muren moet de beweging en zetting van de verschillende bouwdelen volledig compenseren. Alleen de grens tussen vloeren en wanden is consequent voorzien van een optische voeg, die plinten overbodig maakt. Het materialenarsenaal is net zo gereduceerd: lichtbeige wanden afgewerkt met leemstuc, vloeren van Jurakalk, terrazzo en mortel, plafondelementen voorzien van grijze gietmortel, blank staal voor de raamkozijnen en deuren, een aantal houtsoorten, gordijnen van bruin leer en lichtgrijze zijde. Het is allemaal zeer esthetisch.
Zumthor beklaagde zich vorig jaar in Londen, tijdens een persbijeenkomst ter gelegenheid van de jaarlijkse architectuurlezing in de Royal Academy, over zijn reputatie. Zijn teruggetrokken bestaan in het Zwitserse bergdorp Haldenstein, de clichématige nadruk op het ambacht die in bijna elke bespreking van zijn werk opduikt, zijn weigering om te werken voor professionele opdrachtgevers: het draagt allemaal bij aan het beeld van een eigengereide architect, die weliswaar mooie dingen maakt, maar ook een beetje wereldvreemd is. De Rooms-katholieke kerk werkt ook al niet erg mee aan een positieve beeldvorming. Daags na de persbezichtiging wijdde de aartsconservatieve kardinaal Joachim Meisner het nieuwe museum in met een mis in de Keulse dom, een paar straten verderop. Tijdens zijn preek zei hij: ‘Daar waar cultuur wordt losgekoppeld van de godsdienst, verstart de cultus in een ritueel en ontaardt de cultuur. Zij verliest haar middelpunt.’ Die opmerking, die de toehoorders direct interpreteerden als een bewuste verwijzing naar de ontaarde kunst die de Nazi’s in de ban wilden doen, leidde achteraf tot een kleine rel, die elke media-aandacht voor de architectuur of de kunst zelf in de kiem smoorde. Met zo’n opdrachtgever is elke poging tot bijstelling van je eigen imago bij voorbaat reddeloos verloren. Een professionele opdrachtgever zou voor Zumthor zo gek nog niet zijn.