Nederlands Instituut voor Beeld en Geluid: "Introductie" (2007)
Nederlands Instituut voor Beeld en Geluid, Hilversum (Neutelings Riedijk)
TV en radio gaan in Nederland de lucht in vanuit Hilversum, ongeveer 35 kilometer van Amsterdam. De meeste zendgemachtigden zijn geconcentreerd op het Media Park, een eufemistische benaming voor een dicht bebouwd bedrijventerrein met televisiestudio’s en kantoren. Het Nederlands Instituut voor Beeld en Geluid van het Rotterdamse bureau Neutelings Riedijk markeert de belangrijkste entree tot het gebied. Het gebouw verenigt twee totaal verschillende werelden. Ondergronds heerst de koele stilte van het beeld- en geluidarchief, waar 700.000 uur Nederlandse radio- en televisiegeschiedenis roerloos op kilometers lange planken rust. Bovengronds bevinden zich kantoren en de Media Experience, een kleurrijk mediaspektakel dat het enigszins bedaagde Omroepmuseum moet vervangen. Naar schatting 150.000 bezoekers per jaar kunnen hier zelf het nieuws van de autocue lezen, een programma monteren of een showopkomst maken. De vormgeving van het gebouw benadrukt de verschillen. ‘De archieven moesten een soort dodenstad worden’, zegt projectleider Frank Beelen van Neutelings Riedijk, ‘met uit de gaten van de deuren een rode gloed, als uit een inferno. Bovengronds is de wereld van glitter en glamour, die veel mensen associëren met de televisiewereld’.
Het instituut moet de publiekstrekker worden van het Media Park. Om beide functies aaneen te smeden en het gebouw zo herkenbaar mogelijk te maken voor bezoekers, kozen de architecten voor een eenduidig en compact volume. ‘De gekleurde glazen gevel omhult de onderdelen als een kledingstuk’, zegt Beelen. ‘En een holte in het midden van het gebouw scheidt ze van elkaar.’ ‘Holte’ is een understatement voor de ruimtelijk spectaculair vormgegeven leegte die de kern van het vierkante gebouw vormt. De argeloze bezoeker die niet weet dat het van buiten zichtbare deel van het instituut slechts iets meer dan de helft van het totale volume vormt, overziet bij binnenkomst niet alleen in één oogopslag de 26 meter hoogte van het atrium, maar vindt zijn weg tot zijn verrassing ook versperd door een 16 meter diepe afgrond. De ruimte breidt zich uit in alle richtingen, naar beneden en naar boven toe trapsgewijs steeds smaller. Een brug verbindt het entreegedeelte met de hal aan de overzijde van de kloof.
Naar beneden kijkt de bezoeker de archieven in. Hier worden alle radio- en televisieproducties van de publieke omroepen en een groot deel van de producties van de commerciële omroepen opgeslagen en toegankelijk gemaakt, naast alle in Nederland uitgebrachte muziek en documentaire films. Vijf getrapt toelopende verdiepingen vormen een cascade van terrassen, vanwaar door eindeloze rijen identieke deuren de archieven toegankelijk zijn. Het van nature stabiele binnenklimaat van de ondergrondse ruimtes vermindert de benodigde omvang van de klimaatinstallaties. Slechts vier medewerkers van het instituut hebben toegang tot deze onderwereld. Bezoekers – in de praktijk meestal programmamakers – die hieruit iets willen opvragen, dalen een verdieping af en steken de kloof opnieuw over in tegengestelde richting. Daar bereiken ze de klantenservice, waar ze de opgevraagde fragmenten kunnen bekijken of beluisteren in kamertjes met alle benodigde apparatuur om verschillende beeld- en geluidsdragers af te kunnen spelen. De verhitte gloed die het beeld van de dodenstad moet oproepen, is bereikt door alle muren, plafonds en vloeren van de ruimtes achter de toegangen oranjerood te schilderen. Groengrijze leisteen op de vloeren en wanden van de kloof versterkt het beeld van aardlagen waaruit catacomben zijn gehakt.
Boven het atrium rijst trapsgewijs de Media Experience op. Als de archieven een dodenstad zijn, dan is dit een speelparadijs. Een stelsel van brede trappen en lobbies verbindt een grote en kleine filmzaal aan een kleine tentoonstellingsruimte en, in de top van het gebouw, een grote zaal waarin alle remmen los gaan. De muren en vloeren zijn knalblauw. De kleur, chromakey blue, wordt door televisiemakers gebruikt om personen elektronisch in een achtergrond te plaatsen. De getrapte vorm van dit deel van het gebouw heeft grote niveauverschillen in de zaal tot gevolg, onderling verbonden met trappen. De inrichting is niet van de hand van Neutelings Riedijk – en dat is te zien. Luistercabines die doen denken aan oren, een ‘zapcentrale’ in de vorm van een levensgrote printplaat: in deze uitbundige kleuren- en vormentaal wordt de rest van het gebouw een oase van sereniteit. Een consortium van Hypsos en Northern Light CoDesign realiseerde vijftien themapaviljoens met namen als ‘macht en media’, ‘achter de schermen’ en ‘sterrenshow’. Bezoekers krijgen een ring om hun vinger, voeren hun naam, geboortedatum en e-mailadres in en vervolgens gaat alles automatisch. De ring schotelt je vanzelf de televisieseries uit je jeugd voor, deactiveert schokkende oorlogsbeelden als er kinderen aanwezig zijn en na afloop kan je het zelf gepresenteerde journaal downloaden van de website van het instituut, met behulp van een toegestuurde toegangscode.
Het visuele bombardement van de ruimte staat in groot contrast tot de ingetogen vormgeving van de twee filmzalen, waarvoor Neutelings Riedijk teruggrijpt op het rastervormige patroon van de luidsprekers van oude radio’s. Op de wanden is achter een scherm van driedimensionale houten sterren een doek gespannen, dat geavanceerde ledverlichting verbergt. De lampjes kunnen langzaam van kleur veranderen. Aan de kant van het atrium is het volume bekleed met speciaal voor dit project ontwikkelde aluminium plaatjes die met veren aan de achterconstructie zijn bevestigd. De medewerkers van het architectenbureau noemen ze Paco Rabanne tegeltjes, naar analogie van de modeontwerper die vanaf 1966 kleding maakte van geschakelde kunststoffen plaatjes. De tegeltjes weerspiegelen de kleuren van de glazen gevels subtiel. Voor de akoestiek zijn ze geponst met een stervormig patroon dat aan een microfoon doet denken.
Om dit gedeelte van het gebouw te kunnen realiseren, was heel wat rekenwerk nodig. Op het eerste gezicht is de getrapte constructie van de Media Experience redelijk vanzelfsprekend. Maar wie beter kijkt, realiseert zich dat het volume nergens op lijkt te rusten: de zijgevels van het atrium zijn van glas en nergens staan kolommen. Om dit voor elkaar te krijgen, is een 56 meter lang stalen spant van ruim 8 meter hoog tussen de betonnen zijwanden van het volume ingeklemd. Alleen in de grote tentoonstellingszaal zijn de bovenste diagonalen van dit spant zichtbaar; verder is het volledig aan het oog onttrokken. ‘We zijn niet geïnteresseerd in constructie en willen de constructie ook niet als decoratief element toepassen’, zegt Beelen. ‘Het gaat erom dat de constructie ondersteunend is aan het ontwerp’, voegt hij toe, ‘met excuses voor het onbedoelde woordgrapje’.
De kantoren vormen nog het meest conventionele onderdeel van het gebouw. Ze bevinden zich aan de overzijde van het atrium en zijn daarvan afgescheiden door een 26 meter hoge glazen wand. Die biedt plek aan een Wall of Fame, bestaande uit gestileerde portretten van bekende televisiemensen naar een ontwerp van grafisch ontwerper Jaap Drupsteen. De portretten zijn opgebouwd uit gezandstraalde stippen in twee gradaties, waardoor de afbeeldingen alleen van enige afstand herkenbaar zijn.
Jaap Drupsteen is ook verantwoordelijk voor het van buiten meest in het oog springende onderdeel van het gebouw: de gekleurde glazen gevelpanelen met scènes uit de Nederlandse televisiegeschiedenis. ‘In het eerste ontwerp uit 1999 hadden we een Mondriaanachtig patroon voor de gevel getekend, maar dat deed geen recht aan de gelijkvormigheid van de televisiebeelden die de bron van de gevel vormen’, zegt Beelen. ‘We wilden dat de beelden bij zouden dragen aan de monumentaliteit van het gebouw, niet dat het instituut een soort kiosk zou worden met uithangborden. Ook moest de gevel geen spiegelend technisch glasding zijn, maar een tactiel oppervlak, net als een kledingstuk.’ Uiteindelijk kozen Drupsteen en Neutelings Riedijk samen met Hans van den Berg van het Instituut voor Beeld en Geluid 748 verschillende beelden uit het archief van het instituut. Om ze tot een geheel te smeden, heeft Drupsteen de beelden volgens een geprogrammeerde standaardformule vervaagd en op kleur bij elkaar gegroepeerd. Deze werkwijze komt de eenheid van de gevel ten goede, maar heeft ook tot gevolg dat de individuele afbeeldingen niet allemaal even herkenbaar zijn. Dat levert kritiek op van voorbijgangers, die de gevel graag als zoekplaatje voor bekende televisiehoofden gebruiken. Drupsteen, die door zijn eerdere ontwerpen voor briefgeld, postzegels en paspoorten ervaring heeft met het commentaar van leken, laat die kritiek makkelijk van zich afglijden. ‘Als je dat soort wensen van het publiek laat prevaleren, dan ontstaat een truttigheid waar ik niet achter kan staan’, reageert hij laconiek. ‘Dan wordt het gebouw een soort koektrommel.’
Voor wie bekend is met het werk van Neutelings Riedijk, vormt het gebouw een verrassing. Sculpturaliteit speelt in hun oeuvre een grote rol. Veel gebouwen lijken knoestige beeldhouwwerken, enigszins weerbarstig en eigenzinnig, met veel robuuste overstekken. Het Instituut voor Beeld en Geluid is een simpele, vierkante doos. Het atrium vormt een negatief van de sculptuur die bij eerdere gebouwen uit de bouwmassa zelf is vervaardigd. Dat maakt het gebouw een binnenstebuiten gekeerde Neutelings Riedijk. De materialisatie valt eveneens op. Andere gebouwen zijn soms ook voorzien van opvallende gevelbekledingen, maar die zijn aanmerkelijk grover en soberder van aard. De gekleurde glazen gevel van het Instituut voor Beeld en Geluid valt eerder onder de noemers geraffineerd en fijnzinnig. Hij is zo transparant als een rol celluloid, en zo kleurrijk als een testbeeld. Die kant van de architecten kenden we nog niet.