Het Parool: "Moderne Barok" (24 september 2008)
Stadsschouwburg Haarlem (Erick van Egeraat)
Prinses Máxima opent vrijdag stadsschouwburg Haarlem. Het gebouw onderging de afgelopen vijf jaar een grondige verbouwing door architect Erick van Egeraat.
David Keuning
Erick van Egeraat is een vreemde eend in de bijt. De Nederlandse architect maakt, sinds hij in 1995 voor zichzelf begon, naam met wat hij zijn ‘modern barokke’ stijl noemt. De kenmerken: veel schuine lijnen, sensuele rondingen en af en toe wat decoratie. Die frivole ontwerpopvatting valt onder Nederlandse vakgenoten en opdrachtgevers niet altijd in goede aarde. Het is dan ook niet verbazingwekkend dat meer dan zeventig procent van zijn gebouwen in het buitenland verrijst. Met name in Rusland treffen zijn grillige ontwerpen een gewillig publiek.
De vernieuwde schouwburg in Haarlem, die komende vrijdag zijn deuren opent, is in veel opzichten een typische Van Egeraat. Het bestaande gebouw, dat in 1918 werd opgeleverd naar een ontwerp van J.A.G. van der Steur, behoort tot de vijf oudste theaterzalen van Nederland. De grote zaal is met zijn uitbundige versieringen indrukwekkend, maar de foyers en de toneeltoren waren in de loop der jaren te klein geworden. Van Egeraat renoveerde daarom het bestaande gebouw en bouwde een opvallende, nieuwe toneeltoren met productieruimtes aan de achterzijde. Met de opening van de schouwburg komt een eind aan de herbouw van vier belangrijke podia in Haarlem. De afgelopen jaren zijn ook Het Patronaat, De Toneelschuur en de Philharmonie grondig verbouwd.
‘Door het geld- en materiaaltekort na de Eerste Wereldoorlog waren vooral de ruimtes rondom de grote zaal van de schouwburg niet bepaald fraai’, zegt Van Egeraat tijdens een bezichtiging van het gebouw. ‘Op oude foto’s is goed te zien hoe simpel de ruimtes waren afgewerkt. Toch was men in 1918 erg blij met die foyers. Dat is typisch Nederlands. Als iets goedkoop is, dan is het hier meestal ook beter. Ik ben ervan overtuigd dat iets beter is, als het duur is.’
Van Egeraat’s voorliefde voor dure dingen blijkt ook uit zijn excentrieke kleding, die inmiddels net zo’n handelsmerk vormt als zijn gebouwen. Tijdens de bijeenkomst gaat hij gekleed in een zwart pak met skinny trousers en een jasje met smalle revers, een dunne blauwe das en zwarte puntlaarzen. Een bos zorgvuldig getoupeerd haar siert het hoofd.
De kleurrijke verschijning zegt ook iets over zijn werkwijze. Van Egeraat is niet van het poldermodel. Zo heeft hij in Haarlem de foyers groot aangepakt. Om extra ruimte te scheppen, verplaatste hij de hoofdentree naar het souterrain, zodat de verdiepingen erboven verschoond konden blijven van tochtportalen, garderobes en andere ruimtevretende vertrekken. Het zacht glooiende voorplein werd deels uitgegraven, en brengt bezoekers nu haast ongemerkt een verdieping lager. Op de verdiepingen erboven bepalen kroonluchters, kasteelbanken en opvallende kleuren de sfeer. De foyer op de eerste verdieping werd donkerrood; op de tweede verdieping zijn de muren lichtpaars en babyblauw geschilderd.
‘Ik wilde uitdrukking geven aan het feit dat er een beetje feest gevierd mag worden’, zegt Van Egeraat over zijn keuzes. ‘Het leven bestaat niet alleen uit werken en afzien. Daarom wilde ik de zaal nog barokker maken dan die al was en de foyers daarop laten aansluiten.’
De grootste ingreep van Van Egeraat bevindt zich aan de achterzijde van het gebouw. De nieuwe toneeltoren is een stuk groter dan de oude. Om de omvang enigszins te camoufleren, besloot Van Egeraat de kantoren, repetitieruimtes en productieruimtes ‘om de toren de toren heen te draperen’. Ze vermeed hij de clichématige rechthoekige doos die veel andere moderne theaters tot een plompe verschijning maakt. Hij gaf het geheel een onregelmatige vorm, met schuine muren, grillig vormgegeven raampartijen en gezeefdrukt glas. Het opvallendst zijn echter de groene keramische gevelornamenten, die kunstenares Babs Haenen samen met aardewerkfabrikant Tichelaar in Makkum speciaal voor dit gebouw ontwikkelde.
De uitbreiding doet erg denken aan een ander gebouw van zijn hand dat de voltooiing nadert: kantoortoren The Rock aan de Amsterdamse Zuidas. Ook daar bepalen gezeefdrukte glazen gevels, schuine muren en verticale belijning het beeld. Alleen zijn in Amsterdam de bovenste verdiepingen uitgevoerd in zwart natuursteen, waardoor dat deel van het gebouw wel iets wegheeft van een grote zwerfkei. Vandaar de naam.
Betreft die overeenkomst toeval? Van Egeraat, gevat: ‘Nee, want ze zijn allebei door mij ontworpen.’ Maar: ‘Natuurlijk gebruik je bij het ontwerpen regelmatig elementen die je in eerdere projecten ook al hebt toegepast. Dat heet een handschrift. De toren in Amsterdam gaat wel een stapje verder dan de toneeltoren. Bij een kantoortoren met vrije verdiepingsvloeren ben je minder gebonden aan een bepaalde vorm, dus ik had daar meer mogelijkheden dan in Haarlem om de sculptuur naar mijn eigen wensen vorm te geven.’
Op hun beurt zijn de kantoortoren en de schouwburg heel wat stapjes verwijderd van de gebouwen die Van Egeraat realiseerde toen hij de term moderne barok introduceerde. De recentste gebouwen lijken eerder postapocalyptisch, alsof ze na een grote natuurramp door tektonische krachten uit het aardoppervlak naar boven zijn gedrukt. De verticale lijnen in de gevel, in Hilversum versterkt door het keramiek van Babs Haenen, doen denken aan blootgelegde aardlagen.
Zelf zegt van Egeraat dat het werk van Haenen ‘een verwijzing vormt naar de keramische tegels van Leon Senf in het bestaande gedeelte van het gebouw’. Op die manier wilde hij de nieuwbouw naadloos laten aansluiten op de oudbouw. ‘Daarom hebben we ook dezelfde baksteen gebruikt’, zegt de architect. ‘Bovendien hebben we hebben geprobeerd het gebouw geleidelijk lichter te maken. Hoe hoger in de toren, hoe meer glas er is. Zo ontstaat een vloeiende overgang van een robuuste onderbouw naar een transparante top.’
Die ambitie van een geleidelijke overgang tussen oud en nieuw is echter niet helemaal geslaagd. De Rijksdienst voor Monumentenzorg gooide roet in het eten, aldus Van Egeraat. De monumentenspecialisten wilden de gevel van het gebouw in eerste instantie schoonmaken, en bij de kleurkeuze van de baksteen voor de nieuwbouw hield Van Egeraat rekening met de schoongemaakte variant. Later zagen de monumentenzorgers toch maar af van schoonmaken, omdat ze daar inmiddels slechte ervaringen mee hadden. Het gevolg: een vies oud gebouw en een stralend nieuwe toevoeging. Weg gelijdelijke overgang. Tijdens een borrel na afloop van de bijeenkomst windt Van Egeraat zich er nog over op: ‘Met die kleuren in het interieur waren de kunsthistorici het ook niet eens. In dit land knuffelen we elkaar net zo lang tot er uiteindelijk niets gebeurt.’
Zo ontzettend mooi vindt Van Egeraat het oude theater trouwens ook niet. ‘Ik vind de oorspronkelijke Stadsschouwburg een redelijk mooi gebouw. Ik vind het niet schitterend.’ Vond Van Egeraat deze opgave eigenlijk wel leuk? Vooral omdat hij in Rusland hele steden uit de grond stampt en hier moet muggenziften over de juiste kleur rood in de foyer. Van Egeraat, stellig: ‘In Rusland was dit gebouw allang afgebroken.’ En die houding spreekt hem wel aan? ‘Ja. Is dat zo raar?’