Nederlands Instituut voor Beeld en Geluid: "Portret" (2007)
Nederlands Instituut voor Beeld en Geluid, Hilversum (Edwin van Huis)
De nieuwbouw van het Nederlands Instituut voor Beeld en Geluid in Hilversum is de bekrachtiging van een fusie in 1997. Onder de naam Nederlands Audiovisueel Archief gingen toen samen de stichting Audiovisueel Archief Centrum (AVAC), het filmarchief van de Rijksvoorlichtingsdienst, de stichting Film en Wetenschap en de stichting Omroepmuseum. Hun collecties waren verspreid over negen plaatsen in Nederland. Zeventig procent van het materiaal lag opgeslagen in ongeconditioneerde ruimtes, waardoor het technisch verval hoog was. Een nieuw, gecentraliseerd archief met een goed klimaatsysteem zou daardoor onder meer een aanzienlijke besparing op onderhoud en restauratie van het materiaal betekenen.
Door de fusie ontstond het grootste audiovisuele archief van Nederland, en een van de grotere in Europa. Het Nederlands Instituut voor Beeld en Geluid combineert het archief met een openbare bezoekersfunctie, wat de nieuwe instelling de enige in zijn soort maakt. Volgens Edwin van Huis, directeur van het instituut, komt de mogelijkheid voor deze combinatie voort uit de unieke omroepenstructuur in Nederland. ‘De grootste Europese archieven zijn die van de BBC in Groot-Brittannië, de INA in Frankrijk en de RAI in Italië’, zegt hij, ‘maar dat zijn allemaal bedrijfsarchieven en daar past een publieksfunctie of een culturele functie niet bij. In Hilversum hebben 22 omroepen het beheer over hun archieven aan één bedrijf uitbesteed, waardoor een archief van nationale betekenis kon ontstaan, dat tevens toegankelijk is voor het publiek.’
Tot het begin van dit jaar ondergingen alle programma’s een selectie om te bepalen welke voor opslag in aanmerking kwamen. ‘Daarvoor bestaan objectieve criteria’, zegt Van Huis. ‘Van bijvoorbeeld drama werd alles bewaard, maar van televisiespelletjes alleen een paar afleveringen per programma. Maar tegenwoordig is digitale opslag zo goedkoop aan het worden, dat we onlangs besloten hebben om alles te bewaren wat wordt geproduceerd.’ Twee keer per jaar worden gedurende een week ook alle programma’s van alle commerciële televisiestations opgeslagen, om het instituut een zo breed mogelijk blikveld te geven.
De opdracht aan Neutelings Riedijk voor het ontwerp van het instituut kwam tot stand na een meervoudige opdracht in 1999. Naast het winnende architectenbureau deden ook Benthem Crouwel, de Architecten Cie., Mecanoo en het toenmalige bureau Alsop Störmer mee. Behalve Van Huis, die toehoorder was, zaten Chris van Beers, Pieter van der Heijden en Jan Vriezen namens het instituut in de beoordelingscommissie. In het rapport van de commissie is een uitgebreide verantwoording van het advies te vinden. ‘Door de verrassende overgang van de lichte buitenkant naar het robuuste interieur kan in zekere zin gesproken worden van een filmisch, misschien zelfs dramatisch ontwerp’, staat er te lezen. Ondanks de uitgebreide onderbouwing was de keuze volgens Vriezen niet moeilijk: ‘We waren meteen verkocht door het drama van het ontwerp. Na de dag waarop we de keuze hadden gemaakt, heb ik de hele nacht niet kunnen slapen van opwinding.’
Nu het gebouw er staat, komt het volledig overeen met wat het viermanschap zich ervan had voorgesteld. Hoewel: de schaal van het gebouw is toch wel iets groter dan ze op basis van de tekeningen hadden ingeschat. ‘Toen het casco overeind stond, dacht ik: wat hebben we aangericht?’, zegt Vriezen. ‘Door al dat kale beton en die enorme constructie had ik tijdens de bouw wel eens trillerige benen. Er hangt zo ontzettend veel massa boven je hoofd. Wat een geweld. We hebben er tachtig ton staal in hangen om te zorgen dat alles overeind blijft.’
De reacties van de medewerkers van het instituut op hun nieuwe onderkomen zijn volgens Van Huis zonder uitzondering enthousiast. De werkkamers hebben door het gekleurde glas een warme atmosfeer en behoeven nauwelijks extra aankleding in de vorm van bijvoorbeeld kunst aan de muur. Vriezen en Van Huis zijn gecharmeerd van de vage afbeeldingen op het glas. ‘Er bevinden zich 748 televisiebeelden op het gebouw’, rekent Vriezen voor. ‘Als je uitgaat van 24 beelden per seconde, dan betekent dat dus, dat er slechts 31 seconden van de in totaal 700.000 uur archiefmateriaal op de gevel staat. Dat is een fractie. Als je die beelden te herkenbaar maakt, dan krijg je discussies over de legitimering van de gemaakte keuzes.’ Van Huis bekijkt het anders: ‘Doordat de afbeeldingen in het glas niet op het eerste gezicht duidelijk zijn, komt herkenning met de tijd. Sommige afbeeldingen zie je alleen aan het einde van de dag, als de zon laag staat. Zo kun je er jaren over doen om het gebouw uit te pluizen. Als je het gebouw maar eenmaal bezoekt, dan ken je het nog lang niet. Dat maakt het interessant. Op die manier krijg je een persoonlijke relatie met het gebouw.’