Architecten in Nederland: "P.J.H. Cuypers" (2005)
Biografie (P.J.H. Cuypers)


    

‘Elke vorm die niet door de constructie wordt aangeduid, moet worden verworpen,’ schreef Petrus Jozephus Hubertus Cuypers in 1886 in het Bouwkundig Weekblad. Deze zin, die letterlijk is vertaald uit het boek Entretiens sur l’ architecture van de Franse architect en theoreticus E.E. Viollet-le-Duc, vormde het motto van Cuypers. Hij was niet de eerste of de enige architect die dit zogeheten rationalistische denkbeeld aanhing. Over de manier waarop het uitgangspunt moest worden omgezet in een ontwerp waren in de tweede helft van de 19de eeuw echter grote verschillen van mening. In de discussies hierover nam Cuypers een uitgesproken positie in, gesteund door literator J.A. Alberdingk Thijm en Victor de Stuers, de invloedrijke referendaris van het college van rijksadviseurs voor de monumenten van geschiedenis en kunst. Zij meenden dat de architectuur van de gotiek het beste aan dit uitgangspunt beantwoordde en propageerden deze stijl als de enige juiste. Bovendien beschouwde het rooms-katholieke driemanschap de gotiek, afkomstig uit de eeuwen vóór de reformatie, als een bij uitstek katholieke stijl, wat een belangrijk element was in de emancipatie van de katholieke zuil in de tweede helft van de 19de eeuw. Door hun sterke ambtelijke posities (Cuypers was vanaf 1874 lid van hetzelfde college als De Stuers en vanaf 1876 Architect der Rijksmuseumgebouwen bij het ministerie van Binnenlandse Zaken) konden zij een groot aantal overheidsopdrachten in neogotische stijl laten optrekken.

Cuypers studeerde van 1845 tot 1849 aan de Kunstacademie in Antwerpen, waar hij zich toelegde op architectuur en meubelontwerp en werkte voor de architecten P. Dens en F. Berckmans. Na de voltooiing van zijn opleiding vestigde hij zich als zelfstandig architect in zijn geboorteplaats Roermond. Zijn eerste grote opdracht was de restauratie van de Munsterkerk in die stad (1850-51). In 1851 werd hij aangesteld als stadsarchitect van Roermond, waarna het aantal opdrachten gestaag toenam. Het jaar daarop stichtte hij met F. Stoltzenberg het atelier voor kerkelijke kunst ‘Cuypers en Stoltzenberg’, dat een enorme hoeveelheid meubels en kunst voor kerkgebouwen vervaardigde.

Om zijn actieradius als architect te vergroten, vestigde Cuypers zich in 1865 in Amsterdam. Hij bouwde gedurende zijn loopbaan een groot aantal neogotische kerken, zowel in het zuiden van Nederland als bijvoorbeeld in Friesland en Amsterdam. In de hoofdstad bevinden zich onder andere De Posthoorn (1860-63), de Vondelkerk (1872-80), de Dominicuskerk (1884-93) en de Willibrorduskerk (begonnen in 1864, nooit voltooid en afgebroken in 1969). Zijn grootste en veruit bekendste werken zijn het Rijksmuseum (1876-85) en het Centraal Station (1882-89, in samenwerking met A.L. van Gendt), beide in Amsterdam en uitgevoerd in een mengeling van elementen uit de gotiek en de Hollandse renaissance. De twee gebouwen waren inzet van uitgebreide discussies in tijdschriften over de juistheid van de toegepaste stijl. Zo noemden critici, vanwege de gotische stijlcitaten, het museum een ‘bisschoppelijk paleis’ en het station een ‘klooster’.

Cuypers was niet alleen actief als architect. Zo was hij, voor hij in 1893 terugkeerde naar Roermond, enige jaren lid van de Amsterdamse gemeenteraad. Samen met De Stuers speelde hij een belangrijke rol in de ontwikkeling van de Nederlandse monumentenzorg, door met succes ervoor te pleiten dat de restauratie van monumenten een overheidstaak was. Exemplarisch voor Cuypers’ soms zeer vergaande opvatting over restauraties is de door zijn zoon J.Th.J. Cuypers voltooide reconstructie van kasteel De Haar (1891-1936) in een stijlzuivere staat waarin het waarschijnlijk nooit heeft verkeerd. Cuypers’ laatste grote bouwproject was de Onze-Lieve-Vrouwe-Onbevlekt-Ontvangen te Venlo, die werd opgeleverd in 1921. [DK]