Het Parool: "Kunstpaleis met golven voor de deur" (26 juni 2008)
Woonhuis in Kudelstaart (Paul de Ruiter)


  

De gewilde Amsterdamse architect Paul de Ruiter ontwierp een huis voor een kunstcollectie waar het ook fantastisch wonen is.

David Keuning

De Amsterdamse architect Paul de Ruiter krijgt, naar eigen zeggen, bijna wekelijks het verzoek om een villa te ontwerpen. Sinds hij tussen 2002 en 2005 zelf het initiatief nam voor de ontwikkeling van vier villa’s in het Utrechtse Rhenen, staat hij bekend als ontwerper van strakke, energiezuinige woonhuizen.

Veruit de meeste aanvragen wijst hij af, zegt hij, want “elk gebouw dat ik ontwerp moet iets nieuws toevoegen aan mijn portfolio”. Maar toen Cees Röling en Saar Sparnaay hem benaderden, kon hij hun verzoek niet weigeren. De reden: hun enorme schilderijencollectie, met modern figuratief werk van onder anderen Matthijs Röling (achterneef van de opdrachtgever) en de Amsterdamse schilder Jan Beutener. Het echtpaar wilde een woonhuis dat tegelijk dienst kon doen als privé-galerie. Zo’n verzoek krijg je als architect niet dagelijks.

De beoogde locatie aan de Westeinderplassen, onder de rook van Amsterdam, hielp ook mee. Het huis is aan twee kanten omgeven door water, dat zich kilometers ver uitstrekt. Golven met kleine schuimkoppen rollen tot enkele meters voor het pand. “De plek is ongelooflijk mooi”, zegt De Ruiter, “maar brengt ook een complicatie met zich mee. Uitzicht en kunst verhouden zich slecht tot elkaar.” Daarom ontwierp hij voor de schilderijen op de eerste verdieping een dichte houten doos die lijkt te zweven boven de woonverdieping, die helemaal van glas is.

Dat idee is maar ten dele gerealiseerd, blijkt bij een bezoek aan het huis. Een hele verdieping zonder ramen ging de opdrachtgevers iets te ver. “We moeten er ook nog in kunnen wonen”, vonden ze. En dus bracht De Ruiter in de houten doos enkele grote schuifluiken aan, die open kunnen om ook boven van het uitzicht te genieten.

Het middelpunt van de woning is een dubbel hoge ruimte die dienst doet als woonhal. Centraal in de vide hangt een levensgroot, blauw gekleurd portret van een meisje, van de Israëlische schilder Daniel Enkaoua. Het wordt van boven aangelicht door een op maat gemaakt daklicht. Museumconservatoren zouden nooit direct daglicht op een schilderij laten vallen, maar “met dat soort dingen houd ik me niet zo bezig”, zegt Röling laconiek. De Ruiter deed dat wel, en ontwierp voor de ramen een dubbele zonwering, binnen en buiten, die automatisch naar beneden zakt als de lichtintensiteit in huis te hoog wordt voor de schilderijen.

De bewoners zijn enthousiast. Sparnaay is interieurontwerpster en tekende zelf de vele inbouwkasten, die ze van felle kleuren voorzag. “Paul had liever wit gezien”, zegt ze, “want architecten houden niet van kleur.” En met een hoofdknik naar haar eigen, strak in het pak gestoken architect: “Daarom dragen ze ook altijd zwart”.

Röling, die al sinds zijn zeventiende kunst verzamelt en fortuin maakte als importeur van damesmode, had tevoren zo z’n bedenkingen over de moderne architectuur van het gebouw. Nu is hij helemaal om. Het vorige huis, iets conventioneler, met een schuin dak, staat twee percelen verder, ook aan het water. Het was niet toegesneden op de uitdijende kunstcollectie. “Het enige wat ik mis is mijn oude slaapkamer”, zegt hij in de eetkamer, die op maat is gemaakt voor een ruim zes meter lange wandschildering van zijn achterneef.

Wie de nieuwe slaapkamer ziet, kan zich dat nauwelijks voorstellen. Overal hangen schilderijen, en aan het voeteneinde van het bed geeft een verdiepingshoog raam rechtstreeks uitzicht op het water en de bomen in de verte.