Nederlands Instituut voor Beeld en Geluid: "Portret" (2007)
Nederlands Instituut voor Beeld en Geluid, Hilversum (Neutelings Riedijk)


              

Willem Jan Neutelings en Michiel Riedijk werken samen sinds 1992. Ze zijn partners van Neutelings Riedijk Architecten, gevestigd in Rotterdam. Op het ogenblik werkt het bureau onder meer aan het Museum aan de Stroom in Antwerpen, het stadhuis in Deventer, het Eemcentrum in Amersfoort en een Casino in Utrecht. Tot de voltooide gebouwen behoren het Scheepvaart en Transportcollege in Rotterdam (2005), woongebouwen de Sphinxen in Huizen (2003), kunstencentrum Stuk in Leuven (2002) en het Minnaertgebouw in Utrecht (1997).

De opdracht voor het Nederlands Instituut voor Beeld en Geluid is het gevolg van een gewonnen competitie in 1999. Neutelings Riedijk probeert vaker via ontwerpwedstrijden commissies binnen te halen. ‘Tot ons geluk en onze spijt hebben we weinig directe opdrachten’, verklaart Michiel Riedijk. ‘Geluk, want in een competitie bereiken de concepten een kracht die ze bij een directe opdracht vaak niet krijgen. Bij een competitie moet de architect de opdrachtgever immers nog verleiden.’ Bovendien staan architecten aan het begin van de competitie nog wat verder af van de eventuele toekomstige opdrachtgever, vindt Riedijk, waardoor ze zich een vrijere positie kunnen veroorloven. ‘De architect kan daardoor zonder voorkennis commentaar leveren op de organisatie die hem heeft ingehuurd. Bij een groot nieuw gebouw worden vaak verschillende organisaties samengevoegd. De mensen die daarbij betrokken zijn, denken meestal in het verlengde van wat ze gewend zijn uit de oude situatie. Het is mede aan de architect om na te denken over de synergie van de samenstellende delen.’ Die rol van commentator heeft Neutelings Riedijk zich bij Beeld en Geluid ook aangemeten. De onderdelen van de organisatie die het instituut onderdak biedt, hebben elk een herkenbare eigen plek gekregen, maar wel binnen het eenduidige, rechthoekige volume van het gebouw. De gewenste synergie, die primair tot uiting komt in de wisselwerking tussen archief en Media Experience, wordt architectonisch benadrukt door het gemeenschappelijke atrium en de gekleurde glazen gevel van het gebouw.

Het instituut lijkt op het eerste gezicht weinig op de eerdere projecten die het bureau realiseerde, maar op onderdelen heeft het gebouw volgens Riedijk wel degelijk precedenten. ‘Ons oeuvre kent twee lijnen’, beweert hij: ‘de doos en de sculptuur.’ De dozen zijn het gebouw van Veenman Drukkers in Ede (1997), het Minnaertgebouw in Utrecht (1997) en het kantoorgebouw Columbus op Schiphol (2001). Net als het Instituut voor Beeld en Geluid zijn het rechthoekige bouwwerken met in het centrum een leegte, soms in de vorm van een atrium en soms in de vorm van een binnentuin. Bij Veenman Drukkers hebben de architecten bovendien voor het eerst samengewerkt met een grafisch kunstenaar die de gevels mee ontwierp. Karel Martens voorzag de glazen gevels van een gedicht van K. Schippers.

De vormgeving van het Nederlands Instituut voor Beeld en Geluid heeft volgens Riedijk bovendien te maken met de ‘korrelgrootte’ van de vertrekken in het gebouw. ‘De opgave behelsde vanaf het begin veel ruimtes met extreem uiteenlopende groottes. Dat leidt tot een samenstelling waarbij de restruimte in het midden als vanzelf een sculpturale vorm krijgt. De gebouwen die van buiten een sculptuur zijn, zoals het Scheepvaart en Transportcollege, hebben over het algemeen standaardverdiepingen met binnenruimtes van gelijkwaardige grootte. De eventuele grote ruimtes zijn dan, zoals bij het Transportcollege, als een neus eraan gezet.’ Dat principe is ook waarneembaar bij de brandweerkazerne in Breda (1999) en het Steunpunt Rijkswaterstaat in Harlingen (1998).

Neutelings Riedijk probeert het werkterrein de laatste jaren te verleggen naar grote, openbare gebouwen. Het Nederlands Instituut voor Beeld en Geluid vormde in 1999 de eerste grote opdracht, en dat heeft een schaalsprong veroorzaakt. ‘We acquireren tegenwoordig niet meer op woningbouw’, zegt Riedijk. ‘De betekenis van de projectontwikkelaar en de woonconsument is te groot. Daardoor is onderzoek naar wat het wonen in de stad betekent, niet meer mogelijk. We wachten met nieuwe woningbouw tot de overheersing van de makelaars voorbij is.’ Dat is jammer, want de woningbouwprojecten van Neutelings Riedijk zijn vrijwel zonder uitzondering interessante typologische studies naar plattegronden en ontsluitingen. Dat heeft onder andere bij de Panoramawoningen in Huizen (1997), de woningen op het Hollainhof in Gent (1998), de woningbouw op het GWL terrein in Amsterdam (1998) en de woningen op het eiland Sporenburg, (1998, eveneens in Amsterdam), geleid tot projecten die alom gewaardeerd en gepubliceerd zijn.

Grote, openbare gebouwen geven wel mogelijkheden tot ontwerpend onderzoek. Zo konden de architecten er bij Beeld en Geluid voor kiezen om de archieven nauwelijks af te werken. Op die manier kon alle aandacht – en daarmee geld – uitgaan naar de plekken waar veel mensen komen. De grote schaal van het instituut maakte ook de samenwerking met Jaap Drupsteen mogelijk. Een dergelijke belangrijke inbreng van een graficus is bij kleinere utilitaire werken niet mogelijk, laat staan in de woningbouw. ‘Samenwerking met mensen uit andere expertise voegt een betekenislaag toe aan het gebouw’, vindt Riedijk. ‘Het gebouw wordt daardoor cultureel ingebed. Dat is nu voor het eerst echt goed gelukt.’