Delta: "‘Teveel architecten hebben vandaag de dag een zekere koelheid’" (14 oktober 1999)
Interview (Herman Hertzberger)


  

Na bijna dertig jaar neemt ‘sociaal architect’ Herman Hertzberger afscheid als hoogleraar van de TU. “Architectuur moet genereus zijn, vrijgevig en uitnodigend. Voor iedereen, zowel voor zwervers als voor aangepasten.”

Tekst David Keuning

Prof. ir. Herman Hertzberger vertoont, na een succesvolle loopbaan als architect en onderwijzer, weinig tekenen van zelfgenoegzaamheid. Wanneer hij voor de foto wordt gevraagd aan het hoofd van de tafel te gaan zitten, vertelt hij dat mensen bij rechthoekige tafels macht over anderen kunnen uitoefenen. En dat is niet zijn bedoeling.

Reden voor bescheidenheid heeft Hertzberger allerminst. Naast buitengewoon hoogleraar aan de TU was hij samen met onder anderen Aldo van Eyck en Jaap Bakema redacteur van het tijdschift Forum, docent aan de Academie van Bouwkunst in Amsterdam, buitengewoon hoogleraar aan de universiteit van Genève en decaan van het Berlage Instituut te Amsterdam. Daarnaast heeft hij met zijn architectenbureau een groot aantal belangwekkende gebouwen op zijn naam staan, waaronder Centraal Beheer in Apeldoorn, het Muziekcentrum Vredenburg in Utrecht, het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid in Den Haag, het theatercentrum aan het Spui in dezelfde stad en het Chassé Theater in Breda. Bovendien schreef hij het leerboek Ruimte Maken, Ruimte Laten, dat inmiddels in zes talen is verschenen. Zijn nieuwste boek, De Ruimte van de Architect, presenteerde hij afgelopen vrijdag tijdens zijn afscheid.

“Ruimte is een begrip dat door architecten veelvuldig wordt misbruikt”, verklaart Hertzberger de titels van beide boeken. “Je kunt bijna geen zin, uitgesproken door architecten, bedenken waarin het woord ruimte niet minstens twee keer voorkomt. Maar naar mijn mening ontbreekt het daaraan toch een beetje bij architecten, aan ruimte.”

Ruimte is voor Hertzberger in de eerste plaats sociale ruimte. De taak van de architect is het bij elkaar houden van mensen. Ruimte vind je dus niet in eerste instantie in een kathedraal, maar eerder in een Romeins badhuis. Dat werd druk bezocht, er werden lichtzinnige afspraken gemaakt en zakendeals gesloten. De dia’s van een piramide in Egypte en het amfitheater in Epidaurus, waarmee hij zijn colleges placht te besluiten, waren nog duidelijker: “De een is gemaakt voor één dode meneer, die daar duizenden jaren ligt, en de ander voor tienduizenden levende mensen, die er heel even komen. Het mag duidelijk zijn waarvoor ik kies.”

Angsthazerig
Een ander belangrijk thema in Hertzberger’s architectuur is verandering. Een gebouw moet volgens hem zo gemaakt worden, dat het niet perfect op het programma van eisen is toegesneden. “Want hoe komen programma’s tot stand? Programma’s worden vaak door managementbureaus gemaakt en die gaan op strikt democratische wijze alle gebruikers precies vragen wat ze willen. De ene wil een kamer hebben die zus en zo is en dat wordt dan vertaald in 31,5 vierkante meter en de ander wil er een hebben van 29,3 meter en dat komt dan allemaal in het programma te staan. Een beetje een angsthazerige architect denkt écht dat dat ene vertrek 29,3 en het andere 31,5 moet zijn. Op het moment dat het gebouw klaar is, is die betreffende werknemer allang weer weg.” Les één: democratische besluitvorming staat lijnrecht tegenover duurzaam bouwen.

En les twee: de meeste gebouwen overleven hun oorspronkelijke opdrachtgevers. Als voorbeeld dient het Chassé Theater in Breda, dat geregeld het nieuws haalde omdat het gebouw duurder werd dan aanvankelijk begroot en verschillende wethouders gedwongen werden te vertrekken. Hertzberger: “Architecten worden te ver in de hoogte gestoken en te zeer de grond in getrapt. Ze worden uitgekozen om als vlag te dienen en die vlag wordt op een bepaald moment ook weer in brand gestoken.” Voor overschrijdingen van het budget zijn nu niet meer de architecten verantwoordelijk, maar de managementbureaus. In 99 van de 100 gevallen is volgens Hertzberger de architect onschuldig. Het gaat nu echter uitstekend met het theater. “Misschien komt dat, naast een uitstekende programmering en een toegenomen welvaart, ook wel een heel klein beetje door de architectuur.”

Hertzberger was destijds zelf een van de grote tegenstanders van Cees Dam's ontwerp voor de Stopera in Amsterdam, dat met nog veel grotere budgetoverschrijdingen te maken had. “Cees zei daarover: ‘over een paar jaar is iedereen dat weer vergeten en dan is iedereen blij dat er een mooi gebouw staat.’ Ik vermoed dat hij daarin gelijk heeft gekregen.”

Joods
Hertzberger is niet de man van stellige zekerheden. “Al mijn hele leven lang, en ik heb niet de illusie dat ik daar van afkom, twijfel ik tussen te aanstellerig en te saai.” Volgens Ischa Meijer, die hem in 1985 interviewde voor Vrij Nederland, had die tweestrijd te maken met het feit dat hij een joodse vader en een calvinistische moeder had. Door de oorlog heeft Hertzberger aangeleerd zijn joodse kant zoveel mogelijk te veronachtzamen, maar dat overwint hij de laatste tijd enigszins, zegt hij. Misschien ligt hier de basis voor zijn vakmatige interesse in de medemens. Uitdrukkelijk beklemtonend dat hij niet wil generaliseren: “Joden zijn op de een of andere manier vaak minder afstandelijk met mensen bezig. Misschien doordat ze altijd in het verdomhoekje werden geschoven, en daardoor sterk op elkaar aangewezen waren en de waarde hebben begrepen van het met elkaar samenleven.”

“En ik moet zeggen dat vooral de Noord-Europeanen, waar de Hollanders natuurlijk heel duidelijk toe behoren, toch een soort probleem hebben. Smetvrees, dat is waarschijnlijk het juiste woord. Ze zijn bang voor mensen, bang voor menselijke verhoudingen, bang voor relaties, zou je vanuit de psychoanalyse kunnen zeggen. Dit is misschien kort door de bocht, maar je merkt toch wel dat Joden vaak iets meer dat 'met elkaar gevoel' hebben. Ik vind dat te veel architecten vandaag de dag in al hun prachtige uitingen een zekere koelheid hebben.”

Hongerig
Op het gebied van onderwijs hoopt Hertzberger dat bij zijn studenten iets van zijn ideeën over architectuur is blijven hangen. En het zou mooi zijn als ze zich later niet in de eerste plaats zijn boeken en dictaten, maar vooral zijn colleges zullen herinneren. “Ik raak als ik college geef in een toestand die je het beste zou kunnen vergelijken met een soort trance, in die zin dat ik vaak niet meer precies weet wat ik gezegd heb. Toen ik nog regelmatig college gaf in Delft deed ik dat niet alleen om de studenten iets te vertellen, maar ook om mezelf iets te vertellen. Vaak zat ik de nacht voor een college om twee uur in wanhoop over wat ik de volgende dag precies zou moeten vertellen. Als ik dan weer om half zeven uit bed kwam en zwetend om kwart voor elf in de collegezaal stond, gaf dat college vaak de oplossing voor de dingen waar ik niet uitkwam. Het was ook voor mij studie. Le Corbusier zei: je houdt nooit op met je studie. Hoe meer je ziet, hoe meer je ondervindt, hoe meer je student wordt. Uiteindelijk, als je meer bereikt hebt, kun je je ook meer experimenten permitteren. Vaak is het zo dat mensen als ze jong zijn debatteren en het dan op een bepaald moment wel gezien hebben, een beetje moe worden. Ik heb een karakter dat omgekeerd werkt. Ik was vroeger altijd buitengewoon angstig, gespannen, maar langzamerhand durf ik meer.”

Ideeën voor de toekomst heeft Hertzberger voldoende. Zijn architectenbureau loopt uitstekend en er liggen aanvragen voor onderwijs. “Maar ik moet wel oppassen. Gastdocenten hebben dezelfde handicap als gastdirigenten van orkesten: ze draaien paradepaardjes af en komen er niet toe zich te verdiepen in onderwerpen waar ze zelf ook nog niet uit zijn. Dat mijn nieuwe boek er nu ligt is voor mij wel belangrijk.” Toch is Hertzberger, alles overziend, niet ontevreden: “Ik heb als jongen nooit zo geweldig gedroomd. Ik heb eigenlijk veel meer bereikt dan ik ooit gedroomd heb.”