Mark: "Klappen en schouderklopjes" (december 2006 / januari 2007)
Interview (Bernard Colenbrander)


      

Hoogleraar architectuurgeschiedenis Bernard Colenbrander heeft de ambitie om sommige architecten een academische mep te geven.

Tekst David Keuning
Foto’s Bart van Overbeeke

Nog voordat het eerste nummer van Mark was verschenen had Bernard Colenbrander (1956) zich al gemeld als abonnee. Na drie nummers meldde hij zich opnieuw, nu als eerste opzegger. Met motivatie: het blad was hem te zeer een exponent van de beeldcultuur en die cultuur staat hem tegen. Colenbrander is als hoogleraar architectuurgeschiedenis verbonden aan de Technische Universiteit van Eindhoven. Hij schreef in het verleden veelvuldig voor Archis (dat in 2005 zijn naam veranderde in Volume) en tegenwoordig voor het academische architectuurtijdschrift Oase. Als hoofdcurator in dienst van het Nederlands Architectuurinstituut was hij betrokken bij de totstandkoming van een groot aantal boeken. Verder schreef hij onder andere een dissertatie over stedenbouwtheorie (De verstrooide stad) en een biografie over Frans van Gool, voormalig Nederlands Rijksbouwmeester. Mark sprak met hem over beeldcultuur, boeken en tijdschriften. En over Manfredo Tafuri, de man die er geen genoeg van kreeg architecten klappen te verkopen. De aardigste architecten kregen de meeste meppen. Een historicus met een voorbeeldfunctie, als het aan Colenbrander ligt.

In de mailwisseling voorafgaand aan dit interview gaf je aan dat je graag wilde praten over een aantal van je favoriete architectuurboeken en over de evolutie en de teloorgang van het architectuurtijdschrift, geïllustreerd aan de hand van wat er is gebeurd met Archis. Is het zo erg gesteld met de hedendaagse architectuurtijdschriften?
De markt voor architectuurtijdschriften is onderhevig aan sterke erosie en Archis is daar een goed voorbeeld van. Het blad heeft een geschiedenis van meer dan zeventig jaar, het was het eerste tijdschrift waar ik me als student op abonneerde en in de tijd dat ik betrokken was bij de oprichting van het Nederlands Architectuurinstituut – waar het onderdeel van werd – ontwikkelde ik er een enorme affectie voor. Maar wat gebeurde in 2005? Het tijdschrift deed afstand van zijn eigen titel. Dat kwam natuurlijk voort uit de zakelijke catastrofe die het blad trof, zodat de redactie een nieuwe alliantie moest zoeken, met het bureau van Rem Koolhaas en Columbia University en god weet wat voor organen er allemaal bij betrokken zijn om de boel overeind te houden. Maar dat leidde ook tot het opgeven van de identiteit die bestond uit het keurig na elkaar uitbrengen van nummers die inhoudelijk iets met elkaar te maken hebben, tot het van elkaar los maken van de nummers. Ze werden zelfs uitgegeven in een cassette, met verschillende dingen erin.

En dan weet je wel hoe laat het is.
Ja, dat typeert toch de doodsstrijd van ieder tijdschrift, wanneer je gaat verschijnen in cassettevorm? Ergens in de buurt van het jaar 2000 is de formule van dit tijdschrift in het bijzonder en van architectuurtijdschriften in het algemeen obsoleet geraakt. In de jaren tachtig kwamen er steeds meer tijdschriften waarin de architectuur als cultuuruiting centraal stond. Voor die tijd ging het over architectuur als sociaal evenement. Op een bepaald moment is die benadering verzadigd. Dan is het kennelijk nodig de piketpaaltjes opnieuw te slaan en na te denken over wat nog een houdbare formule is.

Zijn er tijdschriften die de plek van Archis wat jou betreft hebben ingenomen?
Nee.

Ook niet internationaal?
Nee.

Misschien is het een formule die niet meer past bij deze tijd.
Dat zou goed kunnen, ja. Tijdschriften zijn verknipt geraakt. Archis had de pretentie om alles wat ertoe doet samen te vatten in één tijdschrift, waar geleerde dingen in gebeuren, waarin boeken worden gerecenseerd en waarin ook gebouwen worden gepubliceerd met behulp van de rijkdom van het beeld. Maar al die onderdelen zijn uiteengevallen in verschillende formules die elk een aspect belichten. Nu heb je een tijdschrift waar het geleerde aandacht krijgt, zoals Oase, dat door middel van peer reviews direct aansluiting zoekt op het academische discours. Daarnaast zijn er tijdschriften die zich toeleggen op wat vroeger een themanummer heette, bijvoorbeeld Archplus. Dat blinkt echt uit in wat ze doen. Jullie belichten de beeldcultuur, waarin de analyse ondergeschikt is aan het beeld.

Als je in verschillende tijdschriften bij elkaar kunt vinden wat je zoekt, hoe erg is het dan dat dat klassieke, generieke tijdschrift niet meer bestaat?
Dat is alleen maar erg voor sentimental reasons. Omdat ik toevallig tot een generatie behoor die opgegroeid is met het bestaan van dat soort tijdschriften en dat plezierig vond. Maar dat is natuurlijk puur subjectief, want de markt wordt ook heus wel bediend door die tijdschriften nieuwe stijl. En dan passen we ons aan. Maar ik vind het wel jammer. Ongeveer dezelfde ontwikkeling is trouwens waar te nemen bij de boekenuitgeverijen.

Ik had je gevraagd om een lijstje met je favoriete architectuurboeken. Wat opvalt is dat ze allemaal zo’n 25 tot 30 jaar oud zijn. Die boeken vertegenwoordigen een bepaalde waarde voor je. Hoe verhouden ze zich tot wat er nu wordt gepubliceerd?
Ik geloof niet dat de boeken dertig jaar geleden beter waren. Maar ik ben misschien wel conservatief. Zo’n boek als Modern Architecture van Tafuri en Dal Co, dat gaat bij mij wel dertig jaar mee. Ik gebruik het ook in het onderwijs. Omdat het in 1976 is verscheen, is er nog wel veel te vertellen over wat daarna is gebeurd. Ook moet je duidelijk maken dat de ideologische benadering van Tafuri en Dal Co aan herziening toe is, want zij zien alles door de bril van de Marxistische paranoia. Maar juist die bril maakt het boek zo goed. Daardoor wordt het mogelijk om de spanning te beschrijven tussen de architectuur en de context daaromheen. Vóór hen is dat nooit gebeurd. Het leidt tot zeer spannende beoordelingen en biografieën. Ze benoemen de good guys en de bad guys. Je hoeft het niet met ze eens te zijn, maar de beschrijving van het spanningveld tussen wat de architect doet en wat de maatschappij vraagt is nergens zo scherp als bij hen. Ik zou geen handboek weten dat na Tafuri even pregnant het totale tableau beschrijft. Sinds Tafuri lijkt het fenomeen van het handboek buiten bereik te zijn. We wagen ons daar niet meer aan.

Waarom niet? Uit wetenschapsfilosofische overwegingen?
Ja, uit angst om je vingers te branden aan een onderwerp dat eigenlijk te ingewikkeld is. Maar het handboek moet natuurlijk wel gemaakt worden. Ik ben bescheiden, maar ik zou het wel een keer willen durven. Al mislukt het. Dat is toch een mooie ambitie? Hoe zei de schrijver Gerard Reve dat ook alweer: het boek dat alle andere boeken overbodig maakt behalve het telefoonboek. De ambitie voor dit soort boeken lijkt op het moment buiten bereik te zijn. Daarvoor in de plaats hebben we heel veel boeken gekregen die we moeten benoemen in de sfeer van de egodocumenten.

Waar Rossi’s Wetenschappelijke Autobiografie, eveneens op je lijstje, er ook een van is.
Rossi is een van degenen geweest die met grote lef over zijn eigen geschiedenis geschreven heeft en daarbij de verbinding heeft weten te maken met zijn gebouwde of ontworpen oeuvre. Dat heeft hij ook nog geprobeerd op een literaire manier, waardoor hij tal van oncontroleerbare mededelingen doet.

Ter voorbereiding op dit gesprek heb ik het boek voor de eerste keer gelezen en ik vond het vreselijk. Ik kan er helemaal niets mee en heb het halverwege weggelegd.
De Architectuur van de Stad heeft soortgelijke nadelen. Dat is het zwaarste academische werk dat Rossi zich veroorloofd heeft. Het verbazingwekkende feit doet zich voor dat het wel is samen te vatten, in tegenstelling tot de Wetenschappelijke Autobiografie, maar dat dat door iedereen op een andere manier wordt gedaan. De interpretatievrijheid is bij hem blijkbaar erg groot, wellicht veroorzaakt door zijn Italiaanse vrijzinnigheid. Daardoor doet hij de wonderlijkste beweringen. De egodocumenten nieuwe stijl berusten wellicht deels op Rossi en deels op Koolhaas natuurlijk, op Delirious New York. Als er een egodocument is voor de postmoderne tijd waarmee alles begint, dan is het dat boek. De geschiedenis wordt er geheel in vervormd en tot in het krankzinnige geïnterpreteerd, geïllustreerd op de meest persoonlijke wijze die je je kunt voorstellen: de hele stad wordt door middel van de tekeningen van Madelon Vriesendorp veroverd en meteen ook psychoanalytisch geïnterpreteerd, alleen al met die twee wolkenkrabbers naast elkaar in bed op de omslag. Daarmee beginnen dus de egodocumenten. Ik weet niet precies hoe ik de stroom van dikke boeken van daarna moet omschrijven. Ze worden wel aangeduid als ‘datascapes’. Toch ben ik, door de willekeur en de subjectiviteit van de aangelegde verzamelingen gegevens, geneigd om ze te zien in de context van de egodocumenten. Zelfs in The Harvard Design School Guide to Shopping blijft meneer Koolhaas ver af van de academische standaard en de daarin nastrevenswaardige objectiviteit. De egodocumenten zijn tot een climax gekomen in een onafzienbare stroom monografieën, waar we onderhand een beetje genoeg van hebben. Ik geloof best in egodocumenten, maar dan moet het een thematische draai krijgen waar anderen iets mee kunnen. Zoals Steven Holl met name doet, met zijn wonderlijke obsessie voor Amerikaanse vernaculair in Rural and Urban House Types en The Alphabetical City, allebei gepubliceerd in de reeks Pamphlet Architecture. Dat vind ik groot, dat hij dat heeft aangedurfd. Architecten moeten zich gewoon mengen in het discours, door over algemene categorieën te spreken en niet alleen maar over hun eigen categorieën.

Aan wat voor soort categorieën denk je dan?
Bijvoorbeeld aan de tektoniek van Kollhoff. Als je leest wat hij over dat onderwerp te melden heeft, dan begrijp je meteen waarom hij degene is die de tektoniek heeft terug gebracht in de binnensteden en daarbuiten.

Maar dat is dan toch eigenlijk ook zijn eigen thema?
Het is zijn eigen thema, maar hij vertelt het niet alleen via zijn oeuvre. Hem valt zo’n thema op, en hij presenteert het vervolgens. Hij begint keurig in de negentiende eeuw, bij Semper als ik het me goed herinner, en geeft er een draai aan. Daar zijn de Duitsers sowieso goed in. Dat zie je ook Ungers doen in zijn stokoude Berliner Vorlesungen, uit de jaren zestig. Archplus wijdde er kort geleden een nummer aan. Hij begint gewoon met primitieve typologieën: een eenkamerhuis zonder context, een meerkamerhuis met een context, dat soort categorieën. Hij zoekt naar objectiviteit en ontsnapt daarmee aan de onderhand clichématige architect met zijn diadoosje met eigen werk.

Waarom doen architecten het niet wat vaker op die manier? Dat is toch de meest elegante manier van over jezelf vertellen?
Architectuur is een egotripperig vak. Opdrachtgevers vallen eerder voor een architect die met zijn persoonlijke charme en zijn eigen werk de boel overtuigt dan iemand die aankomt met een academisch getint verhaal. Kollhoff krijgt heus geen opdrachten als hij met dat verhaal van de tektoniek binnenkomt. Die loopt binnen met plaatjes van zijn Daimler Benz gebouw en de Potzdamer Platz.

Maar vanuit de academische of museale wereld is er blijkbaar wel behoefte aan algemenere beschouwingen.
Architecten zijn in intellectueel opzicht lui. Ik kan het niet anders zien eigenlijk. Nu ik zelf het geluk heb aan de universiteit terecht gekomen te zijn, zie ik dat architecten ermee wegkomen om op intuïtieve wijze les te geven. Door in te spelen op de actualiteit, of op datgene wat zich concreet in de collegezalen of in het atelier voordoet.

Dat vind je geen goede ontwikkeling?
Nee. Een universiteit als Eindhoven schiet tekort in het vermogen van hoogleraren en docenten om zich zodanig te presenteren aan de buitenwereld, door middel van boeken en tijdschriftartikelen, dat datgene wat ze doen mededeelzaam wordt en een grondslag heeft waarover anderen zich kunnen uitspreken. Dat doen we veel te weinig. Sterker nog, architectuurtheoretici hebben het heel moeilijk om zich in academische zin overeind te houden. Van de constructeurs kun je nog zeggen: die onderzoeken iets. Er bestaat hier niet, dat moet ik ruiterlijk toegeven, een indrukwekkende onderzoekstraditie die meegedeeld wordt in zoiets als die Berliner Vorlesungen van Ungers.

Maar Ungers is ook de jongste niet meer.
Nee, Ungers is in de tachtig. Dus je zou kunnen zeggen: je engageert je met ouwe lullen. Misschien is dat zo. Maar toch, over Ungers kan ik met bijvoorbeeld architect Christian Rapp, die ik als een geestverwant beschouw, heel goed spreken.

Rapp is ook een Duitser. Kennelijk voel je je bij hen thuis.
Ja, de benadering die ik voorsta is een Duitse specialiteit. Ik vind het plezierig om met literatuur te werken die objectiviteit toevoegt aan dat discours van ons. Dat kunnen de Italianen, zoals Tafuri, of Monestiroli, met zijn Nine Lectures in Architecture. De Duitsers kunnen dat ook. En ik sluit overigens niet uit dat het ooit nog eens mogelijk is in het Nederlandse taalgebied.

Het is toch, als ik het allemaal zo hoor, niet heel florissant gesteld met de architectuurpublicaties en het onderwijs in Nederland.
Ach, ik weet het niet. Wat is florissant?

Je zegt dat lesgeven op intuïtie gebeurt, dat boeken op intuïtie worden gemaakt. Dat is niet zoals je het graag zou zien.
Nee, dat is eigenlijk wel zo. We leven in een cultuur van veel, we leven in een cultuur van beeld, en we leven ook in een cultuur van voortdurend verspringende perspectieven, doordat iedereen gek is op reizen. Ik heb echter een grondige behoefte om stil te blijven zitten en één ding te doen, en om dat dan ook goed te doen. Als je dat probeert, dan is het eerste wat zich aandient het schrijven van degelijke biografieën – een genre waaraan ik mij verschillende keren heb gewaagd. Maar uiteindelijk moet dat handboek ook wel weer binnen bereik komen. Ik zou dat erg graag nog eens een keer op mijn weg vinden.

Niets let je toch, behalve je eigen twijfels?
Nee, het is de factor tijd en de moeilijkheidgraad. De moeilijkheidsgraad is echt enorm. Ik ben natuurlijk heel gespitst wanneer ik literatuur tegenkom die gaat over alles wat na Tafuri is gebeurd, of die me zou kunnen helpen om een begrippenkader op te stellen dat Tafuri in de schaduw zou kunnen stellen. Dan komen we in de buurt bij de literatuur die de laatste jaren geschreven is door filosofen als Peter Sloterdijk en Rene Boomkens, die zich sterk bezig hebben gehouden met het fenomeen van de globalisering. Boomkens gaat zover dat hij de globalisering aanduidt als opvolger van het postmodernisme. Dat vind ik een lastig te begrijpen manoeuvre, maar ik ben wel geïnteresseerd wanneer dergelijke filosofen zich bezig houden met de beschrijving van de grote maatschappelijke bewegingen. Die draaien inderdaad de laatste twintig tot dertig jaar rond het fenomeen globalisering. Daarmee bedoel ik het uitdijen van het bereik van het communicatienetwerk, zodanig dat, zoals Sloterdijk zegt, uiteindelijk de wereld krimpt tot een punt. Juist dat punt van Sloterdijk vind ik wel boeiend, want dat punt zorgt ervoor dat je rustig thuis kunt blijven en vanuit daar de wereld binnen bereik kunt weten.

En vanuit die gedachte zou je een architectuurboek willen schrijven.
Ja. Het is wel een beetje een esotherisch opgeklopte ambitie, maar dat is wel iets wat speelt. Het is gek dat er nog steeds niets beters is dan Tafuri. Hier op de universiteit kletsen we voor de masterstudenten de laatste dertig jaar er wel bij, maar de hele manier van denken lenen we van Tafuri.

Is bijvoorbeeld Modern Architecture van Frampton niet geschikt?
Nee, voor mij niet. Ik heb nooit wat aan dat boek gevonden. Het heeft kraak noch smaak. Juist die paranoia maakt Tafuri en Dal Co zo leuk. Je hoeft het niet met ze eens te zijn, maar hun analyse is scherp. De genadeloze woorden over Oud, bijvoorbeeld. Die vinden ze soft, en Perret geloof ik ook. Dat zijn duidelijk mensen van het verleden, die nog een beetje zitten te kicken op het classicisme, terwijl dat al lang en breed dood is. Dan zijn er mensen die zich werkelijk uiteenzetten met de moderne tijd, zoals Peter Behrens, waar ze groot respect voor hebben. En je hebt allerlei softies zoals Aalto, daar moeten ze al helemaal niets van hebben. Die krijgen flink de klop in dat boek. Dat vind ik dus fantastisch. Al die knuffeldieren krijgen straf en al die min of meer cynische figuren als Daniel Burnham krijgen een schouderklopje van de heren. Er zitten natuurlijk allerlei raadselachtige afwijkingen in. Ze krijgen bijvoorbeeld geen greep op Mies van der Rohe, dat vind ik ook zo mooi. Ze krijgen hem niet klein, terwijl zijn werk natuurlijk puur metafysisch georiënteerd is. Daar hebben ze grote moeite mee. Ik heb laatst het genoegen gehad om Dal Co nog een keer aan het werk te zien op een conferentie in Slovenië, een cynische, kapotgerookte man, die ook zo’n beetje over de vrouwelijke studenten heen hing en zo, op een manier waarvan ik dacht, moet dat nou? Op het eerste gezicht niet echt een sympathieke kerel. Dat neemt niet weg dat ik het boek waar hij medeplichtig aan was nog steeds zeer bewonder. Maar ik vond hem niet aardig genoeg om hem dat ook te vertellen, om te zeggen: ik bewonder uw boek zo. Dat zeg je toch alleen als je iemand aardig vindt. Hoe dan ook, de boodschap van hun boek is: je kunt best over een groot onderwerp beweringen doen die hout snijden, die substantie hebben.

Dat is eigenlijk de enige kanttekening die ik bij dat boek heb. Ik vind het heel leuk om te lezen, maar ik vraag me af of de aantrekkelijkheid niet vooral erin ligt dat het heel erg leuk is om te lezen, en ook niet veel meer dan dat.
Maar wat vond je dan van het begin van het boek? Destijds begreep ik daar helemaal niks van. Ik was tijdens mijn studie opgegroeid met Giedion, en daarna las ik Norberg-Schulz, zo’n brave geschiedenis. Maar toen kwam Tafuri mij onder ogen en die begint met de Amerikaanse stad. Ik dacht: wat krijgen we nou? Die begint met de vulgaire commerciële basis. Dan kun je zeggen: so what? Maar dat is toch een eye-opener geweest, om ons destijds eraan te laten wennen dat het modernisme niet alleen maar een blijmakend, gelukbrengend project was, maar vooral ook een commerciële onderneming die uit welbegrepen eigenbelang opereerde en die tal van onaangename bijverschijnselen had. Dat heeft dat handboek dan toch maar gedaan, alleen door zo’n keuze waarmee je het boek opent. Ook ik was natuurlijk opgeleid met de gedachte dat Aalto een hoog knuffelgehalte had. Een fijne man. Dat is hij natuurlijk ook geweest. Dat je nou uitgerekend zo’n man zoveel klappen geeft, bijna zielig. Maar na enige gewenning denk je: god ja, er zit wel wat in. Het biedt een samenhangend perspectief op het totaal van de architectuur. Ik zou wel graag een keer klapjes willen geven aan die hele Angelsaksische cultuur van het postmodernisme die door Charles Jencks indertijd is ingezet, en de verschrikkelijke oppervlakkigheid die is ontstaan door beeldvergelijking tot maat van alles maken. Dat is zo irritant, daar moet toch iemand een keer iets aan doen? Als een handboek daarvoor de plek is, dan zullen we dat misschien eens moeten proberen.